Welcome Guest [Log In] [Register]
Search Members Calendar FAQ
  • Navigation
  • Renatia
  • →
  • Other Discussion
  • →
  • General Discussion
  • →
  • Something I've been working on
News Ticker
Welcome to Renatia! If you have any questions, ask anyone below. To get started, read the Beginner's Guide, the Roleplay Guide and Say Hello! Grand Chancellor: Ramla | Secretary of the Interior: Deadcoins | Secretary of Foreign Affairs: Delt | Secretary of Roleplay: Cour | Speaker of the House of Law Lords: Cowland5 | Lord Justice: Eriadu | Consul: -DS- Roleplay News: Germania issues unconditional surrender as occupying forces consolidate their power | UK secures Batavian independence from Tzetxuhoan | Myeongju continues the Central Agabian War unchallenged | Sashin carries out purges in Nentsia | Íslanzadin Governor resigns over water crisis | Massive crowds celebrate the death of Dack Korto | Socialist collaborators executed in Nova de Lisboa | Vresborg Communal Committee plans southward expansion | Sherman scientists develop mysterious chemical weapon Regional News: Post your articles to issue 19 of the Regional Review | Browse our wares at the Renatian Cafepress shop | Anyone hear from our government recently? The year is 60Æ. Click here for a day-to-day calendar, or download this to calculate exact dates!
Welcome to Renatia. We hope you enjoy your visit.

You're currently viewing our forum as a guest. This means that whilst you can read the forum, you cannot post and there are some other features you cannot use. If you join our community, you'll be able to access member-only sections, and use many member-only features such as customizing your profile, sending personal messages, and voting in polls. Registration is simple, fast, and completely free.

We'd love to have you join our community and region and would be glad to answer any questions you may have. We look forward to RPing with you!


Join our community!


If you're already a member please log in to your account to access all of our features:

Username:   Password:
Add Reply
  • Pages:
  • 1
  • 2
  • 3
Something I've been working on
Tweet Topic Started: 9 Sep 2009, 11:38 PM (628 Views)
Linni 9 Sep 2009, 11:38 PM Post #1
Member Avatar


Posts:
563
Group:
Law Lord
Member
#72
Joined:
10-Jun 2009
NS Nation Name
Linnitah
When I was small, I used to write thousands of stories. For some reason that has stopped, but I don't really like that and I would like to take it up again, in a more serious way than RPing.
Some months ago I started writing a chick-flick with some friends of mine (a bit like A Short Story, we are all supposed to write a piece and then send it on to the next one) but after two weeks or so, it stopped.
I miss writing and some days ago (only a few days after I met Crissy) she told me she used to write stories about a country she had made up in her teens called Ashkeba (the stories were lost since then, however). I thought I should at least try to come up with something as well, especially since I've already written some canon/draughts for Linnitarian legends.

This is something I'm working on, It's not much, but as it all takes place in Renatia, I was so keen on posting it that I coulsn't even wait untill I finished this chapter XD. I'm curious about your comments. It's in Dutch, but I've translated it in Babelfish and will post that too (I'll translate some words Babelfish doesn't know myself).

Don't be gentle, I've long passed that ;)

Dutch versoin:

Spoiler: click to toggle

Vlak voor het opkomen van de zon, in de paarsgrijze schemering die het aanbreken van de dag aankondigde, was het gefluit van een vogel te horen. Het beestje zat op een tak van een immense, oude eik en verdedigde met schelle tonen zijn territorium tegen de stilte. Het geluid weerklonk verder door het woud dan op dit moment in het halfduister te kijken was, en de eenzame vogel leek het enige dier te zijn dat op dit vroege tijdstip, nog voor de dageraad, wakker was geworden of zelfs maar bewoog.
Maar hoor! Na enkele minuten krijgt het bijval van een andere vogel - niet al te ver weg - deze zit iets hoger, in een al even oude boom, en wipt op en neer op een van de jongere, dunnere takken. Niet lang daarna is van verderop nog een lied te horen, en nog een, en na enkele seconden voegt zich nog een vogel bij het groeiende koor.
De zon brak door de nevel heen en stralen licht, nog koud aanvoelend in de kille ochtend, vielen op het bladerdak en verlichtten het woud met een warme gele gloed. Van alle kanten kwamen nu de geluiden van zingende vogels: zij wedijverden met elkaar om de hoogste tonen en de snelste ladders, duikelden van de toppen naar beneden achter kleine vliegende insecten aan om vervolgens vanaf een andere tak te spieden naar een nieuwe prooi. Op de zachte, met bladeren en mos bedekte ondergrond van het bos ontstond ook steeds meer beweging: uit een vrijwel onzichtbaar gat in de grond kwam een muis gekropen, een egel bewoog in zijn nest. Konijnen verschenen en begonnen de jonge scheuten van opkomende planten te eten.
De zon werd snel feller en ook wat warmer, en mist steeg als dunne sliertjes rook op boven de bomen. Het oude woud strekte zich naar alle kanten uit, haast zo ver als het oog kon zien: in het verre zuid-oosten waren de grijze shilouetten van bergtoppen te onderscheiden. Nergens is ook maar enig teken van menselijk leven te herkennen: dit gebied is niet bewoond, geen mens heeft de afgelopen tijd hier de wildernis verstoord.
Maar aan de plots in spanning omhoog gestoken kopjes van de konijnen te zien komt daar zeer binnenkort verandering in - ja, inderdaad, terwijl de knaagdieren snel de bescherming van hun hol weer opzoeken voegt een nieuwe stem zich bij het nu haperende koor van vogels. De stem van een mens, de stem van een jonge vrouw, zij zingt zachtjes maar met heldere stem terwijl ze de lage begroeiing handig ontwijkt en met een flinke pas door het bos wandelt. Eerst is ze niet goed te zien, verborgen door de kap van haar donkere mantel, maar de nieuwe, meer aangename warmte doet haar even stoppen en met haar ene hand trekt zij de capuchon van haar hoofd af en kijkt naar boven, waar het licht door de dikke laag bladeren schemert.
Haar haren zijn lichtbruin, haast donkerblond, en hangen los langs haar gezicht naar beneden, haar ogen zijn grijs: zij lijkt alleen te zijn. Op haar rug draagt ze een tamelijk groot pak aan twee banden die elkaar op haar borst kruisen en in haar hand houdt ze een gladde houten staf waar ze op leunt als ze naar voren buigt om haar schouders even te ontlasten. Ze draagt stevige leren laarzen en beschermende wikkels rond haar knieën, en haar gezicht ziet er wat groezelig uit.
Deze jonge vrouw, net geen kind meer, heette Linnitah, dochter van een van de Raadsheren van de Keizer. Al het land dat zij zou kunnen zien als ze klom tot in de top van een van de hoge bomen, de grillige zuidelijke bergen daargelaten, hoorde bij het Keizerrijk dat haar vader hielp te besturen: het Keizerrijk Elibann. De Keizer regeerde over het land vanaf de noordelijke en oostelijke zeeën tot de bergen in het zuiden en grensde in het oosten aan gele vlakten van Dilië. Sinds het begin van de tijd was dit land van hun volk geweest, sinds Eliah het aan haar kinderen had gegeven, een prachtig land, prachtig en verschrikkelijk.
Het noorden was koud en onherbergzaam, vaak bedekt met een dunne laag sneeuw - hier groeiden de altijdgroene bomen zoals de den en hulst in grote aantallen. De zuidelijke helft van het land was gematigder van klimaat, compleet bedekt door oeroude loofbomen en struiken: in het uiterste zuiden werd het zomers soms zelfs wat je heet zou kunnen noemen. Het oosten van het land was ook zwaar bebost, en daar werd het woud af en toe afgewisseld door schitterende maar verraderlijke moerassen, waar ceders en berken groeiden. Het zuiden was meer heuvelachtig, maar over het algemeen was Elibann een vlak, glooiend en goed begaanbaar terrein, vriendelijk op het koude noordelijke weer na.

Het meisje dat zich een weg baande door het bos was werkelijk minder ver van huis dan je zou denken. Een kleine dagmars naar het noorden lag een middelgrote stad, Elbroch, van waaruit haar vader de omliggende landen bestuurde uit naam van de Keizer - zij zou daar rond het vallen van de nacht zeker wel aankomen.
Zij hield van de stilte en de groene schemer van het bos. Ze prefereerde het boven de bedrijvige drukte van het centrum van Elbroch, waar handelaren afkomstig van de zeeën en de buursteden Torann en Ellor hun koopwaar aanprezen en karren af en aan reden. Vaak maakte ze, alleen, lange tochten naar het zuiden waar geen andere steden lagen, nauwelijks wegen ook, en de natuur ongeschonden en puur was. Haar vader zuchtte soms, had misschien gehoopt op een meer werelds kind, maar zo was de natuur van Linnitah nu eenmaal. Zij fantaseerde graag, was geïnteresseerd in de oude vertellingen en legenden en hield van het avontuur. Zij had enkele vrienden en vriendinnen en, zoals het de dochter van een Raadsheer past, veel goede kennissen, maar slechts weinigen stonden haar na aan het hart. Haar oudere zussen waren van een compleet ander karakter en met hen had ze nooit een hechte band gevoeld: zij waren volledig op hun gemak in de hogere kringen, konden geweldig keuvelen - de oudste twee waren reeds getrouwd met zonen van mannen en vrouwen van aanzien. Haar jongere zus had een goed verstand en rappe tong en voor haar lag er duidelijk een mooie toekomst in de politiek in het verschiet: haar jongere broer was al even gedistingeerd en, hoewel hij pas dertien was, was hij in de vorige herfst verhuisd naar Morinn om een plaats in te nemen aan het Keizerlijk hof.
Met de tweelingen van Meester Betar had zij het altijd goed kunnen vinden, en zij vergezelden haar soms op haar tochten, en zij had een vertrouwelinge gevonden in haar kamermeisje Aileth, maar anderen aan wie zij haar gedachten toevertrouwde waren op één hand te tellen. Graag had zij meer vriendinnen gehad, maar zij aarzelde altijd om het achterste van haar tong te laten zien: zelden werden haar gedachtengangen gewaardeerd en ze had geleerd om meer gereserveerd te zijn tegen vreemden. Een van de redenen dat ze er van hield zich terug te trekken in de bossen was dat zij er niet van hield zich anders voor te doen dan ze was. Zij voelde zich in Elbroch alsof ze op een weids, bloeiend veld stond dat bol stond van de verlokkingen van het leven en het avontuur, en alsof zij toch, door onzichtbare muren, op het verdorde stuk gras gehouden werd waarop zij haar hele leven al had doorgebracht. Het was niet de bedoeling van haar familie om haar zich zo te laten voelen: ze was er zeer zeker van dat haar moeder zielsveel van haar hield, net zoals haar vader. Maar het was duidelijk dat haar beide ouders haar vaak niet begrepen. Als het meisje zich soms uitte en sprak over haar verlangen om voorbij de grenzen van het Keizerrijk te reizen, of over een oude legende die zij ontdekt had, en dan omhoog keek naar haar ouders, een enthousiast antwoord verwachtend, dan werd zij toch nog altijd verrast door hun vervreemde gezichten.

De vrouw liep door zonder lang te stoppen tot zij de zon boven haar door de bladeren zag schemeren. Ze vond een glooiing waarop zij het zich gemakkelijk kon maken. Toevalligerwijs stonden er hier wat minder bomen, het groene dak van het bos was minder dik en de atmosfeer leek minder stoffig. Een frisse luchtstroom De zon viel op deze helling hier en daar zelfs helemaal tot op de blaren op de grond, alsof de kleine heuvel besprenkeld was met druppels champagne, en zij koesterde haar besmeurde gezicht in de warmte. Dan pakte zij uit het grote pak dat zij op haar rug gedragen had een kleiner pakketje, een leren lap waarin een vierkant brood gewikkeld zat, en scheurde er met haar handen een flink stuk af. Zij at het met smaak op - het was niet meer helemaal vers, enkele dagen oud, maar nog altijd wat verser en zeker veel lekkerder dan jij of ik gewend zijn, en zij had sinds haar ontbijt die ochtend, in de duisternis, niets meer gehad. Zij dronk uit haar waterfles, voor de helft al leeg, en knabbelde op een reepje gedroogd rundvlees terwijl ze haar benen strekte en haar schouders optrok.
Ze wist dat zij weldra thuis zou zijn en het vooruitzicht lokte haar en stootte haar af: hoewel zij hoofdzakelijk ging vanwege haar verplichtingen tegenover haar vader en de stad had zij in de afgelopen drie dagen ook het gezelschap van haar moeder en Aileth gemist. Daarbij had de oudere van de tweelingen van Meester Betar, Didior, haar verteld over een interessant nieuw verhaal dat hij had gevonden in de kleine privé-bibliotheek die zijn vader door de jaren heen bijeen gesprokkeld had op de bovenste verdieping van hun huis, en zij wilde het graag lezen. Daarom had zij de hele dag doorgelopen zonder zichzelf al te veel rust te gunnen, maar deerde het haar nu ook niet om een moment te genieten van de warmte van de zon en de koelere atmosfeer die hier toch scheen te zijn.


English Babelfish/translated version

Spoiler: click to toggle
Just before rising the sun, in the purple-grey half-light which announced coming the day, was hear the whistle of a bird. The small beast with shrill tones its territory against silence defended, sat on a branch of an immense, old oak and. The sound resounded further by looking at the forest then at this moment in the half-sark was, and the solitary bird seemed the only animal be that at this early time, still for the paddle, awake had become or even but moved.
But hear! After some minutes it gets assistence of another bird - not already too far away - this sits something higher, in an already just as old tree, and hops and on of the younger, thinner branches. Not long afterwards is of further away still a song hear, and still, and after some seconds joins himself still a bird at the growing chancel.
- The sun break through the clouds gone and radiates slightly, still cold sensing in the chilly morning, fell on the booklet of the roof and relieved the forest with a warm yellow glow. Of all sides now the sounds of singing birds came: they competed with each other the highest tones and the fastest ladders, tumbled of the tops down behind small flying insecten to vervolgens as from another branch to spy to a new prey. On gentle, with thumb and moss covered subsoil of the bunch arose also more and more movement: from a nearly invisibly breach in the ground a mouse came crawled, an hedgehog moved in its nest. Rabbits appeared and started the young eat twinges of rising plants.
- The sun became rapidly violent and also what warmer, and misses lane as thin sliertjes smelled on above the trees. The old forest stretched himself to all sides from, almost himself this way far such as the eye could see: in the distant south west the grey shilouets of mount tops were distinguish. Nowhere also but some sign of human life is recognise: this area has not been inhabited, no people have disturbed the previous time here the bush.
- But to the sudden put in tension up cups of the rabbits to see in this very soon change comes - yes, indeed, whereas the rodents look up rapidly the protection of their holes joins itself a new voice at the chancel now sticking of birds. , She sings the voice of people, the voice of a young woman softly but clear voice whereas she walks avoids the low growth skilfully and with considerable pase by the bunch. Firstly is see them not well, hid by the cap of its dark mantel, but the new, more pleasant warmth does stop its just as and with its one hand she deducts the cap of its head and looks at up, where it thumb slightly by thick low shimmers.
- Her hair is pale brown, almost dark blonde, and hang separately along its face down, its eyes are grey: she seems to be alone. On its back she carries a fairly large package to two links which cross each other on its chest and its hand she means smooth wooden staff where she leans on if she bends forward to relieve its shoulders for a minute. She carries firm to learn boots and protecting wikkels round its knees, and its face sees there what dirty.
- This young woman, exactly no more child, was called Linnitah, for the of of the Council lords of the emperor daughter. All the country which they could see if she climbed to in the top of of the high trees, apart from the capricious Southern mounts, belonged to the empire which helped its to control father: the empire Elibann. The emperor governed concerning the country as from the northern and Eastern seas to the mounts in the south and bordered in the east to yellow plains of Dilië. Since the beginning of the time this country of their people had been, since Eliah it to its children had given, a splendid country, splendidly and terribly.
- The north was cold and unkind, frequently covers with thin low snow - here the evergreen trees grew such as the pine and holly in large numbers. Southern half of the country was more moderate of climate, completely covers by ancient leaf trees and shrubs: in the extreme south it became summery sometimes even what you are hot could call. The east of the country had been forested also heavily, and the forest was from time to time varied there by superb but treacherous marshes, where cedars and birches grew. The south was more undulating, but generally was Elibann a area, sloping and well practicable area, pleasantly but cold northern weather.

- The girl who cleared himself gone by the bunch was real less far from house than you would think. A small day top walk to the north lay a medium city, Elbroch, of from which its father controlled the neighbouring countries from name of the emperor - she would arrive there around falling certainly of the night, however.
- She loved silence and green shimmer of the bunch. She preferred it above the busy upheaval of the centre of Elbroch, where traders originating from the seas and the neighbour cities Torann and Ellor their recommended goods and ride finished and to reason. , She often made long trips only, long are draughty to the south no other cities layers frequently proved them, hardly ways also, and nature intact and pure was. Its father sighed sometimes, had perhaps hoped on a more worldly child, but this way was nature of Linnitah. She gladly fantasised, had been interested in the old stories and legends and loved the adventure. She had some friends and girlfriends and, as it is appropriate for the of a Council lord, much good aqcuinantaince, but only few stood her after to the heart. Its older sisters were of a complete other character and with them she had never felt a strong link: they were terribly entirely at their ease in the high society, could chat - the senior two had already married with sons of men and women of high look. Its younger sister had a good intelligence and quick tongue and for her lay clearly there a beautiful future in political in shoots: its younger brother was distingished already even and, although he was just thirteen, he had moved in the previous autumn to Morinn take a place to the imperial court.
- With the twins of master Betar she could have found it always well, and they accompanied its sometimes on its excursions, and she a confidant in its chambermaid Aileth had found, but others to which they its thoughts entrusted were count on one hand. She had gladly had more girlfriends, but she hesitated always the back of its tongue show: its idea paces were seldom appreciated and them had to have learned for more reserved against strangers. Of the reasons that she loved himself there that to withdraw in the bunches was she did not love themselves of it differently to occur than them was. She felt themselves in Elbroch as if she stood that on a grand, thriving field ball stood as if of the temptations of living and the adventure, and they nevertheless, by invisibly walls, on the dead piece grass was kept on which she had spent its complete life already. It was not the intention of its family her this way being able be felt: she was certainly of it very that its mother loved soul her, just like its father. But was clear that its both parents its frequently not understood. If the little girl expressed himself sometimes and spoke concerning its desire to travel beyond the borders of the empire, or concerning an old legend which she had discovered, and then up looked at to its parents, an enthusiastic answer expecting, then they was nevertheless still surprised by their estranged faces.

- The woman walked by fast without long stopping to they the sun above her by to thumb saw shimmering. She found a slope on which she could make themselves it easy. By coincidence stood there here what less trees, the green roof of the bunch were less thick and the atmosphere seemed less dusty. A fresh air flow. The sun fell on this slope here and there even entirely to on the blisters on the ground as if the small hillock was sprinkled with drops of champagne, and she nourished its stained face in the warmth. Then she caught that from the large package they on its back had carried smaller pack, a leather rag in which square bread tore wound drunk, and there with its hands a considerable piece. She ate it with taste on - was no longer entirely fresh, some days old, but still what fresher and certainly many better tasting you or I have then are used to, and she had had since its breakfast that morning, in darkness, nothing more. They drank from its water bottle, for half already empty, and nibbled on a shred beef dried whereas she stretched its legs and accelerated its shoulders.
- She knew that she would be soon at home and the expectancy lured its and repulsed its: although she went back mainly because of its obligations compared with its father and the city they in the past three days also the companionship of its mother and Aileth had missed. Thereby had the older one of the twins of master Betar, Didior, her told concerning an interestingly new tale which he had found in small private library that its father by the years gone had gathered wood on the upper deepening of their house, and they wants it gladly read. For this reason she had passed through the complete day without themselves already too much rests to grant, but cared it its now also not to enjoy a moment the warmth the sun and the colder atmosphere which here nevertheless seemed be.
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Cape Cay 10 Sep 2009, 07:21 AM Post #2


Posts:
235
Group:
Law Lord
Member
#36
Joined:
25-Jan 2009
NS Nation Name
Cape CAY
such a lier.. thousands when ur small.. lol..
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Linni 10 Sep 2009, 03:16 PM Post #3
Member Avatar


Posts:
563
Group:
Law Lord
Member
#72
Joined:
10-Jun 2009
NS Nation Name
Linnitah
Thanks, that really helps CC! ;)
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Cowland5 10 Sep 2009, 08:19 PM Post #4
Member Avatar


Posts:
3,872
Group:
Speaker
Member
#74
Joined:
11-Jun 2009
NS Nation Name
Tawasia; Seasca; Tander; New Cowtopollis
The Babelfish version doesn't make much sense, and I don't understand Dutch. ^o)
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Nentsia 10 Sep 2009, 08:30 PM Post #5
Member Avatar
Admin Zapatista

Posts:
3,079
Group:
Admin
Member
#7
Joined:
30-Nov 2008
NS Nation Name
Vertadoria - Nentsia - Tzetxuhoan
Hey, Linni! That are some good writing skills here!

I guess this is the introducing chapter?
U really make the forrest come alive to me, I always say: A good setting is indispensable for a good story.

Post some more, I wanna know where this is going to.

I've been writing a short story too, in August, about Private 1st class Benjamin Stewart of the 16th Regiment in the 1st infantry of the US. He was in E-1 company at Omaha beach, june 6 1944, on the Easy Red beach section.

@Cow, Happy birthday,

The english version sucks (srry Linn). Actually, you really need a human translater for this.
Edited by Nentsia, 10 Sep 2009, 08:33 PM.
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Linni 11 Sep 2009, 09:50 AM Post #6
Member Avatar


Posts:
563
Group:
Law Lord
Member
#72
Joined:
10-Jun 2009
NS Nation Name
Linnitah
It would take too much time for me to translate it "manually" Posted Image, so Babelfish is the best I can do, guys. If anyone knows of better translator machines, let me know Posted Image.

Yeah it's part of the introducing chapter, but it's not completely finished yet. If I can get myself to finish this project it will be a book, not a short story, so it'll take up a lot of my time Posted Image. I'll post some more when I've written another piece.

And thanks, Nents! :)
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Eleben 11 Sep 2009, 07:11 PM Post #7
Member Avatar
King of Green Power

Posts:
3,647
Group:
Admin
Member
#41
Joined:
23-Feb 2009
NS Nation Name
Elebeneese Empire-Queendom of Moranus Vera-Allied Lands of Tekarvesh
The english version kinda frightened me, but it seems fantastic! Better that anything I've ever written-my stories suck! Good job :)
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Nentsia 11 Sep 2009, 08:09 PM Post #8
Member Avatar
Admin Zapatista

Posts:
3,079
Group:
Admin
Member
#7
Joined:
30-Nov 2008
NS Nation Name
Vertadoria - Nentsia - Tzetxuhoan
El, your stories don't suck.

I've read what I could find on the forum, you are a good writer too. You and Linn both are better than me when it comes to descriptions and stuf like that. You just have to continue writing, ur young. Some day, people want to buy your books.
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Linni 16 Sep 2009, 10:49 AM Post #9
Member Avatar


Posts:
563
Group:
Law Lord
Member
#72
Joined:
10-Jun 2009
NS Nation Name
Linnitah
I don't think your writing sucks either, El. You should post something too!

Nents, as far as descriptions and stuff goes, I'm pretty much just a Tolkien wannabe. Did you read LOTR/In de Ban van de Ring? It's full of page-long descriptions and he influenced my writing a lot.
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
Linni 17 Sep 2009, 09:11 AM Post #10
Member Avatar


Posts:
563
Group:
Law Lord
Member
#72
Joined:
10-Jun 2009
NS Nation Name
Linnitah
Some more :) The chapter's still not finished though. Including the whole piece and underlining the first "new" words...

Spoiler: click to toggle
        Vlak voor het opkomen van de zon, in de paarsgrijze schemering die het aanbreken van de dag aankondigde, was het gefluit van een vogel te horen. Het beestje zat op een tak van een immense, oude eik en verdedigde met schelle tonen zijn territorium tegen de stilte. Het geluid weerklonk verder door het woud dan op dit moment in het halfduister te kijken was, en de eenzame vogel leek het enige dier te zijn dat op dit vroege tijdstip, nog voor de dageraad, wakker was geworden of zelfs maar bewoog.
        Maar hoor! Na enkele minuten krijgt het bijval van een andere vogel - niet al te ver weg - deze zit iets hoger, in een al even oude boom, en wipt op en neer op een van de jongere, dunnere takken. Niet lang daarna is van verderop nog een lied te horen, en nog een, en na enkele seconden voegt zich nog een vogel bij het groeiende koor.
        De zon brak door de nevel heen en stralen licht, nog koud aanvoelend in de kille ochtend, vielen op het bladerdak en verlichtten het woud met een warme gele gloed. Van alle kanten kwamen nu de geluiden van zingende vogels: zij wedijverden met elkaar om de hoogste tonen en de snelste ladders, duikelden van de toppen naar beneden achter kleine vliegende insecten aan om vervolgens vanaf een andere tak te spieden naar een nieuwe prooi. Op de zachte, met bladeren en mos bedekte ondergrond van het bos ontstond ook steeds meer beweging: uit een vrijwel onzichtbaar gat in de grond kwam een muis gekropen, een egel bewoog in zijn nest. Konijnen verschenen en begonnen de jonge scheuten van opkomende planten te eten.
        De zon werd snel feller en ook wat warmer, en mist steeg als dunne sliertjes rook op boven de bomen. Het oude woud strekte zich naar alle kanten uit, haast zo ver als het oog kon zien: in het verre zuid-oosten waren de grijze shilouetten van bergtoppen te onderscheiden. Nergens is ook maar enig teken van menselijk leven te herkennen: dit gebied is niet bewoond, geen mens heeft de afgelopen tijd hier de wildernis verstoord.
        Maar aan de plots in spanning omhoog gestoken kopjes van de konijnen te zien komt daar zeer binnenkort verandering in - ja, inderdaad, terwijl de knaagdieren snel de bescherming van hun hol weer opzoeken voegt een nieuwe stem zich bij het nu haperende koor van vogels. De stem van een mens, de stem van een jonge vrouw, zij zingt zachtjes maar met heldere stem terwijl ze de lage begroeiing handig ontwijkt en met een flinke pas door het bos wandelt. Eerst is ze niet goed te zien, verborgen door de kap van haar donkere mantel, maar de nieuwe, meer aangename warmte doet haar even stoppen en met haar ene hand trekt zij de capuchon van haar hoofd af en kijkt naar boven, waar het licht door de dikke laag bladeren schemert.
        Haar haren zijn lichtbruin, haast donkerblond, en hangen los langs haar gezicht naar beneden, haar ogen zijn grijs: zij lijkt alleen te zijn. Op haar rug draagt ze een tamelijk groot pak aan twee banden die elkaar op haar borst kruisen en in haar hand houdt ze een gladde houten staf waar ze op leunt als ze naar voren buigt om haar schouders even te ontlasten. Ze draagt stevige leren laarzen en beschermende wikkels rond haar knieën, en haar gezicht ziet er wat groezelig uit.
        Deze jonge vrouw, net geen kind meer, heette Linnitah, dochter van een van de Raadsheren van de Keizer. Al het land dat zij zou kunnen zien als ze klom tot in de top van een van de hoge bomen, de grillige zuidwestelijke bergen daargelaten, hoorde bij het Keizerrijk dat haar vader hielp te besturen: het Keizerrijk Elibann. De Keizer regeerde over het land vanaf de noordelijke en oostelijke zeeën tot de bergen in het zuiden en grensde in het oosten aan gele vlakten van Dilië. Sinds het begin van de tijd was dit land van hun volk geweest, sinds Eliah het aan haar kinderen had gegeven, een prachtig land, prachtig en verschrikkelijk.
        Het noorden was koud en onherbergzaam, vaak bedekt met een dunne laag sneeuw - hier groeiden de altijdgroene bomen zoals de den en hulst in grote aantallen. De zuidelijke helft van het land was gematigder van klimaat, compleet bedekt door oeroude loofbomen en struiken: in het uiterste zuiden werd het zomers soms zelfs wat je heet zou kunnen noemen. Het oosten van het land was ook zwaar bebost, en daar werd het woud af en toe afgewisseld door schitterende maar verraderlijke moerassen, waar ceders en berken groeiden. Het zuiden was meer heuvelachtig, maar over het algemeen was Elibann een vlak, glooiend en goed begaanbaar terrein, vriendelijk op het koude noordelijke weer na.

        Het meisje dat zich een weg baande door het bos was werkelijk minder ver van huis dan je zou denken. Een kleine dagmars naar het noorden lag een middelgrote stad, Elbroch, van waaruit haar vader de omliggende landen bestuurde uit naam van de Keizer - zij zou daar rond het vallen van de nacht zeker wel aankomen.
        Zij hield van de stilte en de groene schemer van het bos. Ze prefereerde het boven de bedrijvige drukte van het centrum van Elbroch, waar handelaren afkomstig van de zeeën en de buursteden Torann en Ellor hun koopwaar aanprezen en karren af en aan reden. Vaak maakte ze, alleen, lange tochten naar het zuiden waar geen andere steden lagen, nauwelijks wegen ook, en de natuur ongeschonden en puur was. Haar vader zuchtte soms, had misschien gehoopt op een meer werelds kind, maar zo was de natuur van Linnitah nu eenmaal. Zij fantaseerde graag, was geïnteresseerd in de oude vertellingen en legenden en hield van het avontuur. Zij had enkele vrienden en vriendinnen en, zoals het de dochter van een Raadsheer past, veel goede kennissen, maar slechts weinigen stonden haar na aan het hart. Haar oudere zussen waren van een compleet ander karakter en met hen had ze nooit een hechte band gevoeld: zij waren volledig op hun gemak in de hogere kringen, konden geweldig keuvelen - de oudste twee waren reeds getrouwd met zonen van mannen en vrouwen van aanzien. Haar jongere zus had een goed verstand en rappe tong en voor haar lag er duidelijk een mooie toekomst in de politiek in het verschiet: haar jongere broer was al even gedistingeerd en, hoewel hij pas dertien was, was hij in de vorige herfst verhuisd naar Morinn om een plaats in te nemen aan het Keizerlijk hof.
        Met de tweelingen van Meester Betar had zij het altijd goed kunnen vinden, en zij vergezelden haar soms op haar tochten, en zij had een vertrouwelinge gevonden in haar kamermeisje Aileth, maar anderen aan wie zij haar gedachten toevertrouwde waren op één hand te tellen. Graag had zij meer vriendinnen gehad, maar zij aarzelde altijd om het achterste van haar tong te laten zien: zelden werden haar gedachtengangen gewaardeerd en ze had geleerd om meer gereserveerd te zijn tegen vreemden. Een van de redenen dat ze er van hield zich terug te trekken in de bossen was dat zij er niet van hield zich anders voor te doen dan ze was. Zij voelde zich in Elbroch alsof ze op een weids, bloeiend veld stond dat bol stond van de verlokkingen van het leven en het avontuur, en alsof zij toch, door onzichtbare muren, op het verdorde stuk gras gehouden werd waarop zij haar hele leven al had doorgebracht. Het was niet de bedoeling van haar familie om haar zich zo te laten voelen: ze was er zeer zeker van dat haar moeder zielsveel van haar hield, net zoals haar vader. Maar het was duidelijk dat haar beide ouders haar vaak niet begrepen. Als het meisje zich soms uitte en sprak over haar verlangen om voorbij de grenzen van het Keizerrijk te reizen, of over een oude legende die zij ontdekt had, en dan omhoog keek naar haar ouders, een enthousiast antwoord verwachtend, dan werd zij toch nog altijd verrast door hun vervreemde gezichten.

        De vrouw liep door zonder lang te stoppen tot zij de zon boven haar door de bladeren zag schemeren. Ze vond een glooiing waarop zij het zich gemakkelijk kon maken. Toevalligerwijs stonden er hier wat minder bomen, het groene dak van het bos was minder dik en de atmosfeer leek minder stoffig. De zon viel op deze helling hier en daar zelfs helemaal tot op de blaren op de grond, alsof de kleine heuvel besprenkeld was met druppels champagne, en zij koesterde haar besmeurde gezicht in de warmte. Dan pakte zij uit het grote pak dat zij op haar rug gedragen had een kleiner pakketje, een leren lap waarin een vierkant brood gewikkeld zat, en scheurde er met haar handen een flink stuk af. Zij at het met smaak op - het was niet meer helemaal vers, enkele dagen oud, maar nog altijd wat verser en zeker veel lekkerder dan jij of ik gewend zijn, en zij had sinds haar ontbijt die ochtend, in de duisternis, niets meer gehad. Zij dronk uit haar waterfles, voor de helft al leeg, en knabbelde op een handvol hazelnootjes terwijl ze haar benen strekte en haar schouders optrok.
        Ze wist dat zij weldra thuis zou zijn en het vooruitzicht lokte haar en stootte haar af: hoewel zij hoofdzakelijk ging vanwege haar verplichtingen tegenover haar vader en de stad had zij in de afgelopen drie dagen ook het gezelschap van haar moeder en Aileth gemist. Daarbij had de oudere van de tweelingen van Meester Betar, Didior, haar verteld over een interessant nieuw verhaal dat hij had gevonden in de kleine privé-bibliotheek die zijn vader door de jaren heen bijeen gesprokkeld had op de bovenste verdieping van hun huis, en zij wilde het graag lezen. Daarom had zij de hele dag doorgelopen zonder zichzelf al te veel rust te gunnen, maar deerde het haar nu ook niet om een moment te genieten van de warmte van de zon en de koelere atmosfeer die hier toch scheen te zijn.
        Na enkele minuten stond zij op en hees het pak weer op haar rug aan het ene hengsel en knoopte vervolgens het andere vast, zodat het pakket in evenwicht werd gehouden. Zij oriënteerde zich even. Toen ze zag uit welke richting zij gekomen was draaide zij zich om en begon, wederom in een stug tempo, te lopen, stap na stap op weg naar Elbroch. Waar zij toch zeker rond het vallen van de nacht wel aan zou komen.

        Inderdaad zag zij iets voor zonsondergang de eerste tekenen die erop wezen dat zij weer in de bewoonde wereld terecht aan het komen was. Om een tak van een boom was lange tijd geleden een touw gebonden, waarom was niet meer te achterhalen: het was afgesleten of -gesneden vlak onder de knoop. Zij zag een oude leren riem liggen, weggegooid misschien door een ruiter die hier langsgekomen was. Ook vond zij een knoop die van iemands blouse of broek gesprongen moest zijn. Na nog een half uur kruiste een dun pad haar weg, zij kende het wel: zij had het zelf soms gebruikt. Ze volgde het, een flauwe bocht beschrijvende in noordelijke richting en kwam uiteindelijk uit op een karrenspoor. De eerste boerderijtjes verschenen: verscheidene omheinde lappen ontboste grond sloten de kleine, overwegend houten huisjes in.
        Door de continue mosgroei was het veel werk om de velden te onderhouden, maar het was goed mogelijk om hier in het eigen onderhoud te voorzien en meer. Aalbessen groeiden uitzonderlijk goed aan de randen van deze grote open plekken, net als appelbomen. De boerderijen stonden bekend om hun heerlijke fruitmoes en droogden vaak een gedeelte van de oogst om in de winter te gebruiken of te verkopen, als de aanvoer van vers fruit was gestopt. Bij haast ieder huisje scharrelden kippen rond, die in rennen werden gehouden om hen te beschermen tegen de vossen en marters van de bossen. De meeste boeren hielden hiernaast een of twee koeien die zij op een aangelegd grasveld lieten grazen, en zij konden boter en kaas maken. De beesten werden zelden tot nooit geslacht: Eliah had haar kinderen bevolen respectvol om te gaan met dieren en de inwoners van het Keizerrijk aten zeer weinig vlees. Om die reden was de cultivatie van notenbomen en -struiken rond de boerderijen in de zuidelijkere contreien zeer populair: ze gedijden goed in de half-warmte van het woud en voorzagen de wijde omtrek van extra eiwitrijk voedsel.
        Het meisje plukte wat aalbessen van een tak die tussen de planken van de ruwe omheining heen groeide om onderweg op te eten. Enkelen scheurden terwijl ze hen lostrok bij de top en besmeurden haar handen wat met hun rode, plakkerige sap: de rest stopte ze één voor één in haar mond, genietend van de zuurzoete smaak terwijl ze langs nog meer huisjes trok: ze begonnen steeds dichter op elkaar te staan. De velden van de ene boerderij grensden steeds vaker aan de landen van de volgende, en zij kwam wat mensen tegen. Sommigen droegen ook pakken op hun rug, anderen rolden een karretje voor zich uit of achter zich aan, of droegen kooitjes met pluimvee met zich mee. De geuren van het avondeten van de bewoners vulden haar neus en ze voelde haar maag rommelen, maar ze stopte niet om het laatste stuk brood uit haar pakket te halen. Zij wist dat ze weldra de randen van de stad zou bereiken en vanaf daar was het niet ver meer naar haar huis. Aileth was een geweldige kokkin en zou graag nog wat voor haar bereiden dat duizendmaal lekkerder zou zijn dan het droge brood. Tot ze daar was plukte zij van takken die zij voorbij liep besjes of nootjes en éénmaal gapte zij een appel van een boom wiens takken de hele weg overspanden. Juist op het moment dat zij zich opmaakte voor de sprong liep de forse boerenvrouw haar huis uit om het poortje van het kippenhok te sluiten: zij zag Linnitah opspringen, nam enkele grote stappen haar richting uit en joeg het meisje weg met een boos oi!. De jonge vrouw rende op haar lange benen een flink stuk tot zij de vrouw niet meer kon zien, gehinderd door de grote tas op haar rug, maar met de appel veilig verborgen in de mouw van haar mantel. Daarna liep zij rustiger door, af en toe een hap nemend van de licht zure vrucht, steeds dichter bevolkt gebied intrekkend.

        Waar de eerste boerderijtjes veelal lage gebouwtjes waren geweest werd de bebouwing nu steeds hoger, met een tweede verdieping en later zelfs met een derde: de veldjes werden steeds kleiner, daarna vervangen door kleine ommuurde tuintjes en ook die begonnen langzaam te verdwijnen door gebrek aan ruimte. Dit was de rand van Elbroch: achter de ramen van de huizen brandden gezellige lichtjes, rook steeg op uit scheve schoorsteentjes, en net als bij de boerderijen was de lucht vervuld van etensgeuren. Hier was nog behoorlijk wat volk op straat, op weg naar huis of naar een van de kleinere kroegen: sommigen waren inwoners van Elbroch, anderen hadden exotischer kleding aan en kwamen duidelijk uit veraf gelegen streken. De huizen waren nog steeds voor een groot deel gemaakt van hout, direct uit het omliggende woud gehaald: stevige steunbalken vormden het geraamte van het huis en de buitenmuren bestonden meestal uit twee rijen planken met daartussen droog stro voor de isolatie. De nieuwere gebouwen hadden, volgens de laatste trend, echter vaak stenen wanden: hoewel het niet goedkoop was waren deze muren vrijwel onderhoudsvrij en hielden ze de wind beter buiten. De goedkoopste, oudere en meer traditionele optie was het gebruik bewerkte brokken natuursteen, die werden gehaald uit de meest noordelijk gelegen berg, Achbor: hoewel de reus technisch gezien buiten de grenzen van Elibann lag was het toch niet al te ver weg en er waren al lang geleden kleine Elibaanse nederzettingen opgetrokken die bouwmaterialen en prachtige juwelen leverden aan wie ze maar kon betalen. De natuurstenen huizen waren geen zeldzaamheid in Elbroch: zeker de helft van alle panden was uit de grijze stenen opgetrokken. Maar duurder nog dan de ruwe blokken die uit het westen aangevoerd werden waren de stenen die men uit het oosten kon laten komen. De mensen die in dat zompige gebied woonden waren er achter gekomen dat de klei, die zorgde voor de slechte afvoer van het water en de moerasvorming, gedroogd en gebakken konden worden tot perfect gevormde bouwstenen. Deze techniek was nog redelijk nieuw en veel stenen barstten of spatten kapot in het proces: daarbij moesten de bruikbare eindresultaten een zeer lange weg afleggen van de oostelijke moerassen tot het vrij westelijk gelegen Elbroch, wat het geheel een behoorlijk prijzige aangelegenheid maakte. Linnitah en haar familie woonden in een bakstenen huis, maar haar vader was dan ook een man van formaat: verder waren er slechts een stuk of twintig huizen in verschillende rood- en geeltinten gebouwd.
        De wegen waren niet al te breed, maar de groteren waren nog altijd breed genoeg om twee door paarden getrokken karren elkaar te laten passeren en vaak beslagen met kleine, glimmend afgesleten ronde stenen. De kleinere straatjes vormden een waar doolhof voor vreemdelingen en liepen kris-kras door elkaar: meestal waren dit simpele zandpaadjes die tussen woonhuizen doorliepen waar nog net wel een stevige handkar over te rollen was. Een buitenstaander zou al na vijf of zes hoeken de weg terug niet meer weten, maar Linnitah was hier opgegroeid en zij wist waar zij was: zij kende en herkende ieder kruispunt en elke bocht. Zij versnelde haar pas als een ezel die haar stal ruikt: ze zigzagde door de straatjes, dan weer links afslaand, dan weer rechts, automatisch de snelste weg naar haar doel kiezend.
        Na het zoveelste hoekje om gedoken te zijn kwam zij plots uit op een groot rechthoekig plein, compleet bedekt door vierkante donkergrijze tegels. Hier werd de tweewekelijkse vaste markt gehouden, waarop alle boeren uit de omgeving afkwamen om hun groenten en fruit te verhandelen: ook kon je er melkproducten zoals kaas en yoghurt halen en werden er veel noten verkocht. Met de kuststreek was er een levendige handel in gepekelde en gerookte vis: kabeljauw, haring, heilbot en makreel waren zelfs zo ver van de kust meestal wel te koop. Behalve de primaire producten was er ook bewerkt voedsel te koop: bessen- en notenkoekjes die per stuk of per zak over de toonbank gingen, appel- en andere vruchtenmoes in dikke glazen potten, vruchtenyoghurt en hangop, en ook werden er veel taarten aangeboden, zoete gevuld met vruchten of hartige met een smakelijke groentemix. Aan de verre kant was het grote Waaggebouw te zien, waar bij grote verhandelingen producten in werden gewogen en bij slecht weer op de begane grond enige ruimte was voor kraampjes. Op de eerste verdieping werd vergaderd door de Stadsraad en dat was de werkplaats van Linnitahs vader: de tweede verdieping was gevuld met kasten vol boeken, papieren en annalen, en het meisje was daar vaak te vinden met haar neus in eeuwenoude, stoffige geschriften. De Waag, een gebouw in het hart van de stad: het was een bouwwerk dat ooit opgetrokken was uit grijze blokken Achborsteen, maar inmiddels had het een vaalbruine tint verworven. Al lange jaren was het straatvuil tegen de muren opgetrokken en de inwoners van Elbroch wisten niet anders of dit was de natuurlijke kleur van de Waag.
        Behalve de talloze kleinere straatjes die uitkwamen op het plein waren er drie straten van redelijke grootte, die alle drie uitkwamen op de korte kanten van de markt. Aan de ene kant, niet ver van de jonge vrouw af, ontsprong een straat waar ondanks de betegeling diepe voren in de grond waren getrokken door de niet aflatende stroom karren; dit was de Hoofdstraat, die in noordoostelijke richting liep naar Punt en Morinn. Aan de andere kant waren twee even grote wegen te zien, die aan beide kanten van van de Waag begonnen, en die elkaar aan de achterkant van het gebouw weer ontmoetten. Deze wegen werden de Linker- en Rechter Waagweg genoemd, of ook wel simpelweg de Linker en de Rechter; of, als men beide wegen wilde aanduiden, de Waagwegen. Zij leidden oostelijk en zuidelijk: als je hen zeer ver zou volgen zou je via Alplor uiteindelijk uitkomen bij de grenzen met Dilië.
        Het meisje stak het plein over en koos de Linker, en nadat deze zich weer bij de Rechter gevoegd had strekte zij haar nek en versnelde haar pas zelfs nog wat: de weg beschreef een flauwe bocht naar rechts en haar voeten struikelden even over een oneffenheid in de bodem. Maar ja! daar had zij toch haar einddoel bereikt: tussen verschillende goed onderhouden huizen in grijstinten was daar haar eigen huis te zien, vaalgeel met grijze accenten: een brede trap leidde naar de dikke bewerkte houten voordeur. Lichtvoetig sprong zij de treden op en liet de sierlijke klopper neerkomen op de deur: al vlug hoorde zij gestommel binnen en na enkele seconden opende een slank meisje, iets kleiner dan Linnitah, de voordeur. Zij glimlachte blij verrast naar haar, zei "Juffrouw!", maar verdween uit het zicht toen een andere vrouw in de deuropening verscheen: deze nieuwe vrouw pakte het meisje in eens op en trok haar naar binnen, terwijl zij haar warme kussen op haar beide wangen gaf.
        "Moeder, Aileth," wist Linnitah uiteindelijk gesmoord uit te brengen. "Ach, je bent helemaal besmeurd met stof," antwoordde haar moeder direct terwijl ze het meisje wat van zich af hield om haar te bekijken. "Aileth, zeg Tidann meteen water te verwarmen voor een bad - en maak zelf wat te eten voor mijn meisje - zeg op," vuurde zij nu weer op Linnitah af, "Heb je goed gegeten? Wat zeg ik, ik weet dat het niet zo is, hoe zou je ook maar kunnen? Als een wilde in het bos rondzwervend, dat is toch geen porem: snel, meisje, snel, naar binnen. Er brandt een goed vuur in de woonkamer."
        De hal was hoog en lang, maar niet al te breed om de druk op de plafonds laag te houden en het huis voor instorten te behoeden. Een ronde houten trap was achterin te zien: deze leidde naar de eerste verdieping. Een tapijt in warme roodtinten lag op de vloer van grijze tegels en verschillende prenten in lijsten sierden de muren: gedetailleerde afbeeldingen van het Keizerlijk paleis te Morinn, een schematische kaart van Elbroch, schilderijen van de overgrootvaders en -moeders van Linnitah. Aan de rechterkant van de hal waren twee doorgangen te zien: een leidde naar de keuken, die tevens dienst deed als washok en vanwaar de kamers van Aileth en de andere bedienden via een klein gangetje te bereiken waren. Achter de ander was de badkamer. Aileth verdween naar de keuken terwijl Linnitahs moeder, een kleine, mollige vrouw, het andere meisje ontdeed van haar pak en mantel en haar vervolgens met ferme hand de woonkamer in dirigeerde.


If anyone has Word, would they be so kind as to check for me how many pages this is? I work with some Apple thing which doesn't appear to have such a function...
Edited by Linni, 17 Sep 2009, 09:49 AM.
Offline Profile Quote Post Goto Top
 
1 user reading this topic (1 Guest and 0 Anonymous)
ZetaBoards - Free Forum Hosting
Join the millions that use us for their forum communities. Create your own forum today.
Learn More · Sign-up Now
Go to Next Page
« Previous Topic · General Discussion · Next Topic »
Add Reply
  • Pages:
  • 1
  • 2
  • 3

Track Topic · E-mail Topic Time: 7:17 PM Jul 11

Fight Spam! Click Here!

Hosted for free by ZetaBoards · Privacy Policy