Welcome to my test board n__n ... I think.

Username:   Password:
Nácht Dyeler; Conciërge & Docent GvdT
Topic Started: 1 Dec 2009, 21:56 (110 Views)
Nácht Dyeler
Member Avatar
Naacht Djeller
[* * ]
Algemeen:

Naam: Nácht Dyeler (spreek uit: ‘Nacht Daailer’)

Verjaardag: 14 februari

Leeftijd: 25

Bloedlijn: Halfbloed

Familie/achtergrond: Náchts familie komt oorspronkelijk uit het zuiden van Europa. Zijn vader Hener, die half Afrikaans is, had daar een illegaal winkeltje met behekste spullen die hij aan dreuzels verkocht – voornamelijk rommel, maar ook liefdesdrankjes en dergelijke. Omdat Hener een vreselijk slechte tovenaar is, is Náchts familie altijd erg arm geweest. Zijn moeder, Catherina, is een dreuzel die sinds haar puberteit geobsedeerd is door alles wat met magie te maken heeft. Vandaar ook dat ze op een dag toevallig Heners winkeltje binnen kwam stappen, op zoek naar potentieel magische spulletjes. En wonder boven wonder bleken sommige van die spulletjes ook echt te werken! Dus kwam ze nog eens terug. En nog eens.
Uiteindelijk kwam Catherina er achter dat Hener een echte tovenaar was, niet zomaar een charlatan. Nou ja, eigenlijk was hij iets tussen de twee in, maar dat vergat ze voor het gemak maar eventjes.

Toen Catherina eenmaal een echte tovenaar ontmoet had, was er geen houden meer aan. Ze was elke dag van ’s morgens tot ’s avonds (en vaak ook nog ’s nachts) in zijn winkel te vinden en stelde onophoudelijk vragen over beheksingen en toverdrankjes. Ze volgde hem ook door zowat half Europa – ze werd aangeklaagd als stalker maar wist zich eruit te praten – en kreeg Hener uiteindelijk zover dat hij met haar trouwde. Het is een beslissing die Náchts vader naar eigen zeggen nog steeds betreurt, maar iedereen die hem een beetje kent, weet dat hij gelukkig is met zijn vrouw en gezin.
Catherina probeert al jaren een beetje tovertalent in zichzelf te ontdekken, helaas zonder succes. Ze kan natuurlijk al wel een papiertje van de tafel laten opvliegen (door ertegen te blazen), waar ze heel erg trots op is. Ze is ook niet van plan haar pogingen op te geven, aangezien ze er heilig van overtuigd is dat iedereen, zelfs een dreuzel, minstens een klein beetje talent voor toveren heeft.

Nácht is de jongste van de twee kinderen die Hener en Catherina kregen, maar helaas is zijn oudere broer Day gestorven toen Nácht nog een peuter was. Nácht kent hem alleen maar van foto’s, en dat neemt hij de bende straatschoffies die Day vermoordden – om het geld dat hij niet had – heel erg kwalijk. Hij speelt soms met het idee om (hardhandig) wraak te nemen, en daarom oefent hij vooral zijn vervloekingen erg goed.
Voor de rest groeide Nácht op in een gelukkig – zij het arm en erg raar – gezinnetje. Toen hij ouder werd mocht hij soms zijn vader helpen met het beheksen van de spullen die deze illegaal verkocht, en hij hielp in de winkel wanneer zijn vader voor enkele onduidelijke zaken een paar dagen weg was.

Nácht heeft nog maar één levende grootouder die hij kent. Zijn moeder was een weeskind en weet niet wie haar ouders zijn, en zijn grootmoeder van zijn vaders kant is jaren geleden overleden. De overblijvende grootvader woont in midden Afrika en komt maar heel zelden op bezoek. Nácht heeft opa Afrika (zo noemt hij hem) in zijn hele leven nog maar zes keer gezien, maar hij mag hem bijzonder graag. Opa Afrika is sjamaan bij zijn stam en weet erg veel van magie. Hij leert zijn kleinzoon ook veel over Afrikaanse legenden en geschiedenis, wat ze allebei bijzonder boeiend vinden. Het is door deze lessen dat Nácht zo geïnteresseerd werd in Geschiedenis van de Toverkunst.

Toen Nácht elf werd, schreven zijn ouders hem in bij Klammfels, de dichtstbijzijnde toverschool. Dat kostte – letterlijk en figuurlijk – nogal wat moeite, aangezien er op Klammfels geen beurs voor armere mensen bestaat zoals op Zweinstein, en de inschrijving erg duur is. Maar op de een of andere manier slaagden zijn ouders erin om het inschrijvingsgeld voor het eerste jaar bij elkaar te schrapen.
Aangekomen op Klammfels, bleek Nácht vooral goed te zijn in vakken waar niet te veel stokgezwaai aan te pas kwam, zoals Geschiedenis van de Toverkunst, Toverdranken en Astronomie. In Waarzeggerij was hij ook redelijk goed, maar dat heeft hij altijd een dom vak gevonden dat meer bedoeld was om de punten van slechte leerlingen op te halen dan wat anders. Bezweringen is zijn ding niet zo – hij was er niet zo slecht in dat hij zakte, maar het was zeker niet een van zijn beste vakken. In Transfiguratie is hij domweg rotslecht – het vak zorgde er bijna voor dat hij een jaar moest overdoen.
Vervloekingen, een vak dat alleen op Klammfels wordt gegeven, is een geval apart. Er komt veel stokgezwaai aan te pas, en Nácht munt er zeker niet in uit. Maar omdat hij er zoveel op oefent en nooit rustte tot hij een spreuk er had in gestampt, was hij voor dat vak een van de beste leerlingen van zijn klas. Nácht hoopt ooit nog de dood van zijn broer te kunnen wreken, maar hij is er ook achter gekomen dat het kennen van je vervloekingen nog andere voordelen heeft…

…vooral als je klein bent, er sjofel uitziet en altijd tweedehands spullen hebt. Nácht heeft in zijn jaren op Klammfels maar weinig vrienden gehad. Ook het schoolhoofd mocht hem niet – die hield nu eenmaal niet van armoedige leerlingen op zijn school – en dus kreeg Nácht nogal vaak straf.
Gelukkig hielpen enkele leraren die hem mochten hem soms uit de nood. Hij mocht professor Kraków, zijn leraar Geschiedenis van de Toverkunst, erg graag. Het was ook Kraków die Nácht op het idee bracht om leraar Geschiedenis te worden, een idee dat Nácht goed beviel omdat het zijn beste vak was. Hij wilde later dan ook voor dit beroep gaan studeren, met de bedoeling de oude Kraków op Klammfels te vervangen zodra die met pensioen zou gaan.

Voordat het zover kon komen, stak echter een lastig probleem de kop op. Tijdens Náchts zesde jaar op Klammfels, kwam het Ministerie van Toverkunst erachter dat Hener illegale spullen verkocht aan dreuzels. Hij moest onmiddellijk zijn winkel sluiten en kreeg een forse boete. De familie kon onmogelijk nog het zevende schooljaar op Klammfels betalen.
De wanhoop nabij, verhuisde de familie naar Groot-Brittannië, waar ze hoopten een nieuw leven te beginnen en wat meer geld in het laatje te krijgen. Hener opende een nieuwe winkel en Catherina zocht een baantje bij het dreuzelministerie – daar moest je blijkbaar niet voor gestudeerd hebben. Zo konden ze op het randje het geld voor het zevende schooljaar bijeen krijgen.
Nácht bleef zijn laatste jaar naar Klammfels gaan, in plaats van naar het nu dichterbij gelegen Zweinstein. Zijn redenering was dat je beter een bekend boven een onbekend kwaad verkoos – hij zou toch op beide scholen gepest worden vanwege zijn armoede.
Tijdens de schoolvakanties kwam hij naar huis in Engeland en leerde hij Engels – gelukkig kon hij via het haardvuur komen (tijdens de verhuis moesten ze de dreuzelbus nemen omdat zijn moeder geen magische transportmiddelen kon gebruiken). Nácht was vrij slecht in talen, maar tegen het einde van zijn zevende jaar kon hij al redelijk Engels verstaan – genoeg om in Groot-Brittannië te gaan studeren voor leraar. In de tussentijd nam hij ook nog een baantje aan als kelner in de een dreuzelcafé om deze nieuwe studie te kunnen betalen.

Vijf jaar na de verhuis naar Engeland had Nácht zijn studie voltooid en was zijn Engels er al heel wat beter op geworden. In plaats van naar Klammfels te gaan, zoals de bedoeling was geweest, klopte Nácht echter bij Zweinstein aan voor een baantje als leerkracht. Hij had in de vier jaar studie voor leraar wat meer zelfvertrouwen gekregen en had ook besloten dat hij Klammfels met zijn gemene schoolhoofd, vakken en leerlingen nooit meer wilde zien. Hij vond het jammer voor Kraków, maar hij had een eigen leven nu. Hij hoopte dus maar dat hij, ondanks een paar kleine taalprobleemjes, aangenomen zou worden als leerkracht Geschiedenis van de Toverkunst op Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus.

Hoewel hij inderdaad onmiddellijk aangenomen werd – blijkbaar bestond er een soort van tekort aan leerkrachten die saaie vakken wilden geven – begon zijn carrière op Zweinstein niet bepaald rooskleurig. Niet alleen bleek hij niet in staat om zelfs maar één keer zonder te verdwalen bij een lokaal of de eetzaal aan te komen, ook maakte hij op zijn eerste dag al een hopeloos slechte indruk op zowel de toenmalige conciërge als de lerares Toverdranken – die even later zelfs tot Schoolhoofd benoemd werd.
Maar ondanks al zijn tegenslagen en stommiteiten, slaagde Nácht er toch nog in om twee jaar lang op een behoorlijke manier les te geven op Zweinstein – nu ja, de keren dat hij zijn klaslokaal terugvond dan, want op de één of andere manier schenen de trappen en deuren in Zweinstein voortdurend te veranderen zodat hij natuurlijk nooit de weg leerde vinden.

Na die twee jaar veranderde de situatie natuurlijk lichtelijk. Het kasteel werd door een aanval van enkele individuen met destructieve neigingen tot instorten gedwongen en Náchts linkerbeen werd half verpletterd door een vallend hemelbed – wat later het slaapterrein van Wisshyn Outhflew geweest bleek te zijn. Hij was gedwongen geweest zijn eigen been af te zetten met behulp van een amputeervloek, wilde hij niet tot een heel-erg-door-steenblokken-verpletterd-Náchteltje gereduceerd worden.
Al hinkend en met behulp van een lang stuk hout dat hij van een deurpost had losgetrokken, wist hij zich toch nog uit verschillende gevaarlijke situaties te vervloeken, een aantal leerlingen te redden van de verpletteringsdood en iedereen in zijn buurt veilig uit het kasteel te brengen – met andere woorden, hij gedroeg zich eindelijk eens ‘cool’. Jammer dat bijna niemand het uiteindelijk gezien had.

Na de aanval werd Nácht natuurlijk onmiddellijk naar het St. Holisto gebracht – dankzij de zeer nette amputeervloek was er weinig echt risico voor zijn verdere gezondheid, maar je eigen been moeten afzetten is toch ook niet echt goed voor zowel je mentale als fysieke gesteldheid. Op de afdeling Spreukschade kreeg hij een voorlopig houten been aangemeten en werd hem verteld dat zijn echte been nooit meer hersteld zou kunnen worden – het kon niet eens teruggevonden worden onder het puin, laat staan dat het er weer aangezet zou kunnen worden. Nácht kon maar beter zo snel mogelijk een fatsoenlijk kunstbeen aanschaffen en er verder mee leren leven.
Van dat fatsoenlijke kunstbeen kwam uiteindelijk trouwens niets in huis – chronisch geldgebrek zorgde ervoor dat Nácht zich onmogelijk iets anders kon veroorloven dan het been dat hij in het St. Holisto gekregen had en dat eigenlijk maar voor tijdelijk gebruik bedoeld was.

Dit alles zorgde ervoor dat hij zich, zeker voor het eerste jaar, niet meer in staat voelde om te doceren aan een toverschool, dus zodra hij vernam dat er een nieuwe school gesticht zou worden, vroeg hij professor Iseult of hij voorlopig conciërge kon worden. Aangezien verschillende ooggetuigen konden bevestigen dat Herr Rein tijdens de ramp opgegeten was door een Letlandse Lucifer – arm beest – was de post nog vrij en kon Nácht onmiddellijk beginnen.
Bovendien werd Nácht bij gebrek aan een echte kok en veel huiselfen ook in de keuken tewerkgesteld, waar hij verondersteld werd de leiding te hebben over het kookproces – met alle gevolgen van dien. Nácht had die positie gekregen omdat hij vrij goed was in toverdranken, maar daarom hoefde dat niet per sé ook voor koken te gelden, zeker niet in een onhandig geval als het zijne. Nadat hij de enige twee huiselfen in de keuken tot wanhoop had gedreven, de aardappelen had laten ontploffen, in het stoofvlees was gaan staan, flubberwurmen onder de salade had vermengd, per ongeluk een pot met geroosterde fluitmieren in de soep had laten vallen en met al het voorgaande zowel de leerlingen als de docenten vergiftigd had tijdens het openingsfeest, werd hem verboden om zich ooit nog in de buurt van de keuken te begeven.

Afgezien van het feit dat het nieuwe schoolhoofd, Elisabeth Tempest-Haydon, een gruwelijke hekel aan hem scheen te hebben, verging het Nácht nog vrij goed in zijn positie als conciërge. Hij hoefde nu tenminste nooit meer op tijd in een klaslokaal aan te komen en dergelijke, en van slapende leerlingen was hij nu ook verlost. Bovendien betrapte hij vaak per ongeluk overtreders omdat hij zo vaak verdwaalde en dan zowat over ze struikelde. Hij sloeg braaf op het einde van elk lesuur op de gong – nouja, hij kwam soms wel wat te laat aan om het precies op tijd te doen – hoewel dat ding een afgrijselijk geluid produceerde en je er beter niet bij in de buurt kwam zonder eerst oordopjes in te doen.
Kortom, het enige waar hij zich nog écht aan stoorde was het feit dat zijn desoriëntatie met de seconde erger begon te worden, tot op het punt dat hij zelfs verdwaalde op weg naar zijn bed terwijl dat nochtans in dezelfde kamer stond.

Natuurlijk betekende dat dat op een bepaald punt zelfs voor Nácht de maat vol was, en tijdens de zomervakantie van zijn tweede jaar op Maireach liet hij zich door zijn vader naar het St. Holisto brengen voor onderzoek (op zijn eentje zou hij nooit de weg gevonden hebben). Hierdoor bleek dat hij al sinds jaren last had van het Syndroom van Waling, een ziekte die onder andere het oriëntatievermogen en de motoriek aantast. De Helers vonden het nog behoorlijk verbazingwekkend dat hij daar niet eerder over was komen klagen.
Hoe dan ook, een hele uitleg en een operatie later mocht Nácht weer naar huis – de Helers lieten hem niet graag gaan, hij was de eerste die ze waren tegengekomen die zo lang met het Syndroom van Waling rondgelopen had en ze wilden hem graag meer onderzoeken – en wonder boven wonder bleek de operatie gewerkt te hebben: hij vond zonder te verdwalen de weg naar zijn slaapkamer! Nodeloos te zeggen hoe blij Nácht was, en hoezeer hij zich verheugde op een jaar op Maireach zonder verdwalen. Momenteel overweegt hij zelfs om in de nabije toekomst zijn baan als leraar weer op te nemen.

Rijkdom: Ondanks alle pogingen om het tij te doen keren, is Náchts familie nog steeds erg arm. Hun huis kan bijna een krot genoemd worden – alleen de heel erg wispelturige magie van Hener houdt het overeind. Vandaar dat er wel eens een paar stukken hout uit het plafond vallen en dergelijke.
Nácht had wel genoeg geld opgespaard om voor de verandering eens goede spullen te kopen om het nieuwe schooljaar te starten – hij wilde niet opnieuw beschouwd worden als de bedelaar van de school. Later wist hij met zijn (nochtans zeer karige) loontje van leraar op Zweinstein en daarna conciërge op Maireach een zeer degelijk leven te leiden. Hij heeft tegenwoordig niet echt veel, maar hij komt ook niets vitaals tekort.

Uiterlijke beschrijving: Nácht heeft zwart, halflang haar, dat bij een bepaalde lichtinval een lichtjes blauwe glans heeft. Hij bindt het vaak in een staart om het uit zijn gezicht te houden – zijn haar golft nogal. Omdat Nácht afkomstig is uit Zuid-Europa heeft hij een gebruinde huid, die nog een tintje donkerder is dan normaal omdat zijn grootvader Afrikaans is. Zijn ogen zijn donkerbruin, bijna zwart.
Nácht is van gemiddeld tot grote lengte, maar was zelf graag nog ietsje langer geweest. Vroeger, toen hij nog klein was, werd hij vaak uitgelachen omdat hij klein was. De leeftijd heeft dat gebrek echter wel goedgemaakt. Ook is hij door het zware werk in het café – hij moest vaak zware dingen sjouwen – vrij gespierd. Niet echt iets om over op te scheppen, maar Nácht is zeker geen zwakkeling.
Nácht vindt van zichzelf dat hij vrij knap is – ook al waren alle pesters op Klammfels het daar niet mee eens.

Vroeger droeg hij het liefst donkere kleding – een overblijfsel uit de tijd dat hij probeerde zo onopvallend mogelijk te zijn. Het enige aan zijn kleding dat enigszins opvallend genoemd kon worden is dat hij altijd een gouden band rond zijn linker enkel droeg. Die had hij bij zijn geboorte van opa Afrika gekregen en was behekst, zodat de grootte zich automatisch aanpaste terwijl Nácht ouder werd.
Helaas is Nácht tijdens de ramp op Zweinstein zijn linkerbeen en dus ook de gouden enkelband kwijtgeraakt – iets wat hij bijna nog erger vond dan voor de rest van zijn leven op een houten been rondhuppelen. Ondertussen heeft hij er zich gelukkig weer overheen gezet. Ook draagt hij tegenwoordig kleding met iets meer kleur, nadat één van zijn leerlingen een keer had opgemerkt dat een bepaald donkerrood gewaad hem heel goed stond.

Wegens gebrek aan veel poen heeft Nácht zich tevreden moeten stellen met het goedkoopste magische houten been dat er te vinden was, in plaats van die geavanceerde magisch-artificiële lichaamsdelen die tegenwoordig te verkrijgen waren. Hij is wel intensief aan het sparen om zijn huidige houten been te laten vervangen door iets waar hij tenminste fatsoenlijk door ramen mee kan klimmen.

Huisdier: Nácht had een aapje, Lolo, dat hij voor zijn zevende verjaardag van opa Afrika had gekregen. Hij kon haar helaas niet meenemen naar Klammfels (het was te koud en bovendien niet toegestaan) maar bracht wel veel tijd met haar door tijdens de vakanties. Lolo was minstens zo erg aan Nácht gehecht als Nácht aan haar, met als gevolg dat ze wel eens mensen, van wie ze dacht dat ze kwaad in de zin hadden, durfde aan te vallen en zelfs te bijten…

Na de ramp op Zweinstein was Lolo echter spoorloos. Nadat hij een paar dagen uitgeteld in het St. Holisto had gelegen, wilde Nácht de ruïnes van Zweinstein doorzoeken om tenminste haar dode lichaam terug te vinden, maar hij kreeg te horen dat er niemand op de plaats van onheil toegelaten was wegens verder instortingsgevaar, en dat alles bovendien al grondig doorzocht was door de Schouwers van het Ministerie. Er was echter nergens een apenlijk teruggevonden – wat Nácht nog wat hoop bezorgde dat Lolo op een keer wel weer zou komen opdagen.

Toverstok: Náchts vroegere toverstok, ‘eenhoornhaar, negenentwintig komma vijf centimeter, wintereik’, werd tijdens de ramp door een ontsnapte Delfstoffer opgegeten, dus was hij gedwongen om wat geld bij elkaar te schrapen en zich een nieuwe aan te schaffen – ondanks de protesten van een hoop leraren en een schoolhoofd dat ze zich véél veiliger voelden terwijl hij nog toverstokloos was.
Maar goed, zijn nieuwe toverstok heeft eveneens een kern van eenhoornhaar en is gemaakt van drieëndertig komma zeven centimeter berk.


Karakter beschrijving:

Positieve eigenschappen:

  • Nácht is erg goed in takken van de toverkunst waaraan niet te veel stokgezwaai te pas komt. Hij houdt meer van theorie dan van de praktijk, en zal dan ook indien mogelijk eerst de theorie achter iets bestuderen eer hij het in de praktijk uitprobeert.
  • Ondanks dat Nácht altijd in armoede geleefd heeft, is hij er vast van overtuigd dat hij ooit rijkdom zal vinden. Om die reden probeert hij altijd hogerop te komen.
  • Nácht doet altijd zijn best om een goede eerste indruk te maken op mensen en is meestal erg behulpzaam voor mensen die hij mag. Hij doet dit in de hoop dat ze hem later als hij hulp nodig heeft ook zullen helpen.
  • Omdat Nácht zowel een dreuzel als een tovenaar als ouder heeft, kan hij zich zonder problemen in beide werelden begeven. Hij is ook altijd graag bereid om dreuzelkinderen in hun eerste jaar wegwijs te maken in de magische wereld.
  • Nácht kan zich goed alleen bezighouden en dringt zich nooit aan mensen op. Hij kan met anderen in dezelfde kamer zijn zonder dat ze zijn aanwezigheid zelfs maar opmerken.
  • Nácht is niet zo’n heel klein beetje sexy, ook al beseft hij het zelf niet. Tijdens zijn lerarenopleiding had hij altijd hordes vrouwelijke studentes achter zich aan lopen – en ook mannelijke – maar ondanks dat alles is hij op vijfentwintigjarige leeftijd nog steeds single.
Negatieve eigenschappen:

  • Hoewel het de afgelopen jaren al veel gebeterd is, is Nácht vaak onzeker. Wanneer hij zich aangevallen voelt, durft hij wel eens misbruik te maken van zijn macht bij wijze van zelfverdediging.
  • Nácht kan moeilijk vrienden maken. Wanneer iemand hem benadert, is hij geneigd die persoon af te wijzen uit angst later zelf in de steek gelaten te worden.
  • Nácht is niet makkelijk kwaad te krijgen, maar áls het gebeurt, is het echt een serieuze driftbui. Onschuldige buitenstaanders blijven best op een veilige afstand.
  • Nácht heeft nog een paar minuscule probleempjes met zijn Engels. Hij kan iedereen perfect verstaan en iedereen verstaat hem wel, maar verkeerde samenstellingen of grammaticale constructies zijn bij hem eerder regel dan uitzondering.
  • Náchts transfiguratiespreuken en huishoudelijke bezweringen die verder gaan dan het niveau van een eerstejaars mislukken vrijwel altijd, soms met explosieve gevolgen. Zijn vervloekingen daarentegen, zijn heel wat minder primitief…
  • Hij kan niet koken. Verdere commentaar is overbodig.
Posted Image
OFF Profile Quote ^
 
1 user reading this topic (1 Guest and 0 Anonymous)
« Previous Topic · Karakterkaarten Docenten & Personeel · Next Topic »